Gezonde voeding is belangrijk voor gezond opgroeien. Gezonde voeding legt de basis voor de gezondheid later. Daarnaast is het aanleren van gezond eetgedrag makkelijker dan het later afleren van ongezonde gewoonten. Alle reden dus om te investeren in gezond eetgedrag van jonge kinderen. Het klinkt zo logisch en eenvoudig, maar de praktijk is weerbarstiger.

Gezelligheid staat voorop tijdens het eten. Zorg dat je eten aanbiedt in een ontspannen en gezellige sfeer. Geef je kind geen hap meer dan dat het zelf wil. Wanneer je eten opdringt, ook met zogenaamde vliegtuigspelletjes, dan zal je kind minder leren luisteren naar zijn eigen lichamelijke behoeften. Het is van belang dat je kind zich kan verheugen op een maaltijd.

 

Kinderen in Nederland eten te weinig groente, fruit en vezels en teveel verzadigde vetzuren. Vitamine-D-adviezen worden slecht nageleefd. Vaste eetmomenten maken steeds meer plaats voor een continu aanbod. Daarnaast is er vaak sprake van een disbalans tussen energieverbruik en energie-inname, waardoor kinderen steeds dikker worden op jongere leeftijd.

Probeer 3 maaltijden op een dag aan te houden, waarbij je 2 keer iets tussendoor aanbiedt in de vorm van fruit.

 

Ouders willen wel, maar weten vaak niet hoe het aanleren van gezond eetgedrag voor elkaar te krijgen. De eigen voorbeeldfunctie daarin wordt regelmatig onderschat.

“Doe wat ik doe” werkt beter dan “Doe wat ik zeg”. Voeding en opvoeding blijken dicht naast elkaar te liggen.

 

Het introduceren van nieuwe voedingsmiddelen is van belang voor de smaakontwikkeling. Biedt meerdere keuzes aan. Laat je kind zelf kiezen. Je zult zien, dat wanneer je kind zelf mag bepalen, hij eerder een andere smaak erbij zal proberen.

De smaakontwikkeling begint al voor de geboorte via het vruchtwater, gevolgd door moedermelk waarin smaken uit de voeding van de moeder terecht komen. De introductie van vaste voedingsmiddelen is de volgende stap. Smaakontwikkeling, dus veel verschillende smaken leren kennen en waarderen, is de sleutel tot een gevarieerde voeding en daarmee tot een gezonde voeding.

 

Met de introductie van de eerste hapjes moet een kind eigenlijk twee stappen zetten:

• wennen aan vaste voedingsmiddelen die anders aanvoelen in de mond en

• wennen aan wisselende smaken.

Door veel te proeven kan de smaakzin zich ontwikkelen, ook wat betreft de smaken bitter en zuur. Deze smaken moeten veel kinderen echt leren waarderen en dat kost tijd. Een kind moet soms wel iets 10-15 keer proeven voor het zo’n smaak accepteert.

 

Rond de leeftijd van vier maanden begint een kind willekeurig mondbewegingen te maken en neemt de houdingsstabiliteit van het hoofd en de romp toe. Deze veranderingen maken het mogelijk dat een kind vaste voeding kan verwerken. Happen van een lepel vereist een anderen mondmotoriek dan zuigen en dat moet worden aangeleerd.

Tussen de 6 en 12 maanden is een gevoelige periode voor het leren kauwen, vandaar dat het van belang is te starten met kauwbaar voedsel.

Belangrijke uitgangspunten voor de introductie van vast voeding zijn geleidelijk opbouwen in vezelgehalte en geleidelijke opbouw in consistentie. In de praktijk betekent dat:

Vanaf zes maanden: volledige melkvoeding en oefenhapjes, fijngemaakt en met een zachte smaak.

• Vanaf zeven maanden: volledige melkvoeding, wat grovere oefenhapjes en brood met korst.

• Vanaf acht tot tien maanden: minder melkvoeding, meer vaste voeding.

Een kind van zes maanden zit gemiddeld op 900 ml melkvoeding per dag, een kind van één jaar heeft voldoende aan 300 ml melkvoeding/zuivel per dag. Dan wel vitamine D bij gaan geven! De melkvoeding wordt dus in een half jaar afgebouwd en de vaste voeding wordt opgebouwd.

 

Een aantal voedingsmiddelen kan in het eerste jaar beter nog niet gegeven worden, zoals honing en gewone melk. Ook wordt afgeraden om zout aan de voeding toe te voegen.

Nog meer informatie over van drinken naar eten www.voedingscentrum.nl/eerstehapjes

 

Kinderen hebben een natuurlijk gevoel voor hoeveelheid en verzadiging, dus niet opdringen.

Ouders bepalen WAT, WANNEER (en wanneer niet), en HOE er wordt gegeten het kind bepaalt HOEVEEL.

Gebruik voeding niet om te belonen of te straffen. Hiermee ontwikkel je emotie- of troost eten.

 

• Rond de leeftijd van anderhalf breekt meestal een periode aan waarin eten wat moeizamer gaat. Dat is normaal. Nat het eerst jaar is de hevigste groeispurt achter de rug en hebben kinderen veel minder voeding nodig dan tijdens hun eerste levensjaar. Zorg dat je kind kan en mag kiezen uit een aantal gerechten.

• Misschien hebben deze kinderen ook al (te veel) aangesloten bij het dagelijks eten van (grote) tussendoortjes en drinken van energierijke (dik)sapjes. Wie eet er nog een biscuittje bij de thee? Het kan goed zijn dat de “lastige of kritische warm-eters” gewoon al meer dan ‘vol’ zitten.

• Lang stilzitten en rustig eten kan een peuter niet echt boeien. Dat is logisch. De grote buitenwereld lonkt. Het is daarom belangrijk voor ouders om realistisch verwachtingen te hebben over hoe lang een kind van 2-3 jaar rustig aan tafel kan zitten.

• Een vierde factor die eetproblemen in de hand werkt, is “neofobie”, oftewel de angst voor het onbekende. Wat de boer niet kent dat eet hij niet (en rare stukjes in de mond hoeft hij ook niet). Ook dat is een algemeen gegeven, waar de meeste peuters korte of lange tijd last van hebben. Dat neemt echter niet weg dat ouders hun peuters op deze leeftijd toch moeten mogen leren wennen aan allerlei smaken. In de peuterleeftijd ligt de smaak immer nog lang niet vast, maar is nog volop in ontwikkeling. Wat het kind vandaag niet lust, lust het volgende week misschien wel. Zeker in deze fase moeten ouders zicht daarom met name richten op variatie i.p.v. hoeveelheid. Het trainen van de smaakontwikkeling is een kwestie van een lange adem (& eigen goed voorbeeldgedrag). “Doe wat ik doe” werkt beter dan “Doe wat ik zeg”

Peuters hebben herhaling nodig om gewend ter raken aan een nieuwe smaak.

 

Laat kinderen visueel kennis nemen van groente en fruit. Biedt het niet allemaal als een mengprakje aan. Leer ze pure smaken (her)kennen.

 

Kant en klare papjes, zoals het pyjama papje zijn veels te lekker. Daarnaast is het vooral het volume waarin het wordt aangeboden, maar het moet op, anders is het zonde. Probeer daarvoor te waken, want daardoor raakt eten uit balans. Wanneer een kind teveel ander soortige voeding naast zijn normale voeding krijgt, gaat het steeds minder eten van de essentiële voedingstoffen. 1 zakje babykoekjes staat gelijk aan 4 koekjes. Een beker diksap, dat zo gezond lijkt, bevat 23 gram suiker, wat gelijk staat aan 4 ½ klontje suiker. Biedt water of thee aan.

We laten zichtbaar vet en suiker weg. De warme maaltijd is vaak te mager. Bereid de warme maaltijd in zachte bereidingsvetten. Je zou er ook zichtbaar vet bij aan kunnen bieden, zoals mayonaise. Beter zichtbaar in je eigen dosering, dan onzichtbaar in een onacceptabele dosering.

Kant en klare toetjes bevatten heel veel suiker. Gemiddeld 4 à 5 klontjes.

De zogenaamde “knijpfruit” mist vezels en beschermende factoren

 

De schijf van vijf

De vakken groente, fruit en brood van de Schijf van Vijf zijn groter dan de andere. Het is aan te raden uit deze vakken ruime porties te kiezen. Want deze voedingsmiddelen bevatten in verhouding tot hun volume en gewicht veel voedingsstoffen en weinig calorieën. Vul de voeding verder aan met producten uit de andere vakken. Door gevarieerd te kiezen uit alle vijf vakken wordt de basis gelegd voor een gezond dagmenu.

1. Groente en fruit Belangrijk vanwege: vitamines, zoals vitamine C en foliumzuur, mineralen zoals kalium, vezels en bioactieve stoffen.

2. Brood, (ontbijt)granen, aardappelen, rijst, pasta en peulvruchten Belangrijk vanwege: koolhydraten, eiwit, vezels, B-vitamines en mineralen zoals ijzer.

3. Zuivel, vlees(waren), vis, ei en vleesvervangers Belangrijk vanwege: eiwit, mineralen zoals ijzer en calcium, B-vitamines en visvetzuren.

4. Vetten en olie Belangrijk vanwege: vitamine A, D en E en essentiële vetzuren.

5. Dranken Belangrijk vanwege: water.

 

Iedereen heeft een reden voor zijn/haar gedrag

Ouders moeten in het tweede half jaar troost loskoppelen van eten/drinken. Probeer andere manieren te vinden om te troosten.

Grenzen maakt vrij. Nu géén grenzen, straks géén vrijheid.

1. Stoppen van ongewenst gedrag = begrenzen

2. Belonen van gewenst gedrag

3. Negeren van onschuldig ongewenst gedrag.

 

Smaak = emotie. Maak daar gebruik van. Maak het gezellig, zorg voor een leuke, gezellige en ontspannen sfeer.

Heel veel plezier en succes tijdens het eten.